» Letters from Jean Vanier » Nederlands

Brief van Jean Vanier aan zijn vrienden - september 2011

Goede vrienden,

Mijn vredevol verblijf in het klooster van Orval is begonnen met een boem!

Men had mij gevraagd om een conferentie te geven voor een groep jongeren die op retraite waren in het klooster. De conferentie was al een tijdje bezig toen ik plots… boem, door mijn stoel zakte en op mijn rug op de grond terechtkwam, verbaasd en aangeslagen. Verschillende mensen uit de zaal kwamen toegesneld om me te helpen opstaan achter mijn tafel. Ik ben dan terug gaan zitten op een stevigere stoel, vóór de tafel, om het te hebben over Jezus die de voeten van zijn leerlingen wast, geknield op de grond! Het was allemaal niet zo erg maar ik heb er wel een gebarsten rib aan overgehouden, waar ik wel last van ondervond en waardoor ik vooral ’s nachts een beetje pijn had. De dokter zei me: “Er is niets aan te doen, til geen zware dingen op, je moet gewoon geduld hebben, het zal wel overgaan.” Ja, geduld kunnen hebben, dat is hoop.

Twee dagen later zaten we buiten, voor een picknick met de monniken. In mijn glas appelsap was een wesp beland. Ik had dat niet gezien, dronk van het sap en begon het beestje dus in te slikken. Gelukkig had een jongeman de wesp in mij zien verdwijnen en kon hij me waarschuwen, zodat ik de wesp kon uitspuwen. Natuurlijk was ze niet erg gelukkig dat ze opgesloten zat in mijn mond, wat ze liet merken door me in mijn gehemelte te steken. Het arme diertje is toen verdronken in het appelsap. Dezelfde dokter die getuige was geweest van het incident met de stoel stond me efficiënt bij met goede raad. “Neem wat ijsblokjes in de mond om zwellingen tegen te gaan, dat is het enige wat je kunt doen.” Een paar uur later was de hele geschiedenis al vergeten en had ik geen last meer van de wespensteek.

Ik zoek geen symbolische betekenis achter beide gebeurtenissen. Ik leer te aanvaarden dat mijn lichaam bidt, ook ondanks allerlei ‘kwaaltjes’ en dat mijn mond altijd geroepen is om te spreken over essentiële dingen.

Doorheen deze mooie tijd van rust, met de monniken van Orval die zulke vredevolle en biddende mensen zijn, ontdek ik steeds meer het evangelie van Johannes, die de ‘geliefde leerling’ genoemd werd. Niet om te zeggen dat hij de meest geliefde was van alle apostelen, maar omdat zijn diepe identiteit – zoals de identiteit van ieder van ons – was om geliefd en geroepen te worden door Jezus, door God. Ik zeg ‘ontdekken’ want het is waar dat ontdekkingen het hart en de geest open maken. Misschien hebben mensen Jezus te vaak willen ‘onderwijzen’, de geest willen vormen, duidelijke ideeën willen overbrengen, in plaats van de mensen ook te helpen om God geleidelijk aan te ontdekken in een ontmoeting van hart tot hart door het woord, de ervaring van het dagelijks leven, momenten van gebed en diverse ontmoetingen. Een ontdekking is als een verrassing, een openbaring, een opening naar een nieuwe ontmoeting met Jezus die vrede en vreugde geeft. Die ontmoeting is niet iets dat we uit onszelf kunnen maken; ze wordt ons geschonken in een moment van geluk en gelukzaligheid. Eigenlijk is het God die zich laat ontdekken, eerder dan ik die hem ontdek.

De zwaluwen die rond de klokken van het klooster vlogen toen ik aankwam, hebben wellicht gevoeld dat de zomer ten einde liep. Ze zijn allemaal vertrokken richting Noord-Afrika, een lange reis. Hun nesten zijn leeg, het stemt me droevig.

Ik ben op dit moment een boek aan het herlezen van pater Joseph Wresinski, die enkele jaren geleden overleed. Hij was een goede vriend van de Ark en stichter van ‘Agir pour Tous dans la Dignité Quart Monde – oftewel Handelen voor Allen in Waardigheid – ATD Quart Monde – een beweging ter ondersteuning van mensen aan de rand van de maatschappij, verstoten, vernederde mensen. Het doel is niet om hen in de eerste plaats materieel te helpen maar hen te helpen om zichzelf echt te leren zien als mensen, om opnieuw vertrouwen te vinden in zichzelf. Pater Joseph zei graag (en dat is ook de titel van het boek) “de armen zijn de Kerk”. Het zijn diegenen die hun ellende uitschreeuwen die dicht bij God staan en God staat dicht bij hen. Voor pater Joseph ging het er in de eerste plaats om die mensen te ontmoeten in nederigheid, tijd te maken voor hen door naar hen te luisteren met groot respect, door in hen een geschenk en de aanwezigheid van God te zien. Het boek deed me terugdenken aan de momenten waarop pater Joseph in de Ark kwam spreken: hoe we ons moeten bekeren om met de nederigen van deze wereld te zijn, door ons Gods woord te herinneren dat ons door Jesaja (57, 15) gegeven is: “In hoogheid en heiligheid zal ik tronen met hen die verslagen en onaanzienlijk zijn.” Ik zou willen dat mijn leven, in de situatie waarin ik me nu bevind, er zou zijn om te verkondigen (door mijn leven, door mijn woord) dat God dicht bij de vernederden is en dat we dicht bij hen echt innerlijk geluk vinden.

Gelukkig zijn er mensen geweest zoals pater Joseph om te benadrukken hoe noodzakelijk het is om zij die uitgesloten zijn te ontmoeten en hen een netwerk van vriendschap aan te reiken, zoals ATD. Dat is de weg van het evangelie, en het is ook de weg van de Ark.

Weldra zal ik terug in Trosly zijn. Ik heb nu geen last meer van mijn rib. Ik voel me gelukkig dat ik mijn foyer weer ga terugzien, met Patrick, Dédé, Anisette, Stéphanie en alle anderen, dat ik dat heel eenvoudige leven terugvind van samen eten en de vaat doen. Ik ben gelukkig dat ik momenten van feestvieren en gezamenlijk gebed mag beleven. Het is voor mij een vreugde om deel uit te maken van een gemeenschap en elkaars lasten te kunnen dragen. Ik zal retraites blijven geven in La Ferme. Ook dat geeft me veel vreugde! En af en toe zal ik een lezing geven in Parijs met Julia Kristeva, met wie ik het boek « Leur regard perce nos ombres » heb geschreven. Dat boek is een bundeling van onze brieven, waarin elk van ons heeft kunnen uitdrukken wat ons het nauwst aan het hart ligt.

In de Ark in Trosly zijn een aantal dingen veranderd. Vanaf september 2012 wordt Christine Mc Grievy onze gemeenschapsverantwoordelijke en herder, nadat ze 12 jaar lang internationale vicecoördinatrice was. Ze zal Karol Okecki opvolgen, die de gemeenschap 8 jaar lang gevolgd heeft als verantwoordelijke, met veel kunde en toewijding. Het is een echt geschenk dat Christine die verantwoordelijkheid heeft kunnen aanvaarden. Ze zal Trosly laten proeven van de internationale dimensie van de Ark, en tegelijk is ze al 30 jaar in de gemeenschap van Cuise. Ze kent onze gemeenschap goed.

Cariosa Kilcommons gaat ons verlaten om verantwoordelijk te worden voor de gemeenschap Le Sycomore (in de Franse Alpen). Ze is al 22 jaar hier in Trosly. We zullen haar missen, maar ik ben heel blij voor haar en voor de gemeenschap Le Sycomore.

Voor mij brengt dit jaar ook heel wat nieuwe dingen. Ik ben nu 83 jaar (ik kan het maar moeilijk geloven) en de toekomst zal nieuwe zwaktes en nieuwe gaven brengen. Bijvoorbeeld? Jean-Christophe en Christine hebben erop aangedrongen dat ik mijn huisje verlaat, waar ik al 36 jaar woon, om in een kleiner huisje naast La Ferme te gaan wonen. Het is de Fondation des Amis de l’Arche (‘Stichting van de Vrienden van de Ark’) die de renovatie en inrichting van het huisje op zich neemt. Als ik verder ga verzwakken, zal het voor mij gemakkelijker zijn om daarmee om te gaan in mijn nieuwe huisje: er is zelfs een lift! Naast het huis zal er ruimte zijn voor Odile Ceyrac, wiens missie het is om over mijn gezondheid en ouderdom te waken… Ik ben getroffen hoe goed Jean-Christophe en Christine, Odile en de raad van de Stichting voor mij zijn. In het huisje zal er ook een zaaltje zijn waar ik mensen kan ontvangen voor een kop koffie en waar ik groepen van mensen uit de gemeenschap kan ontmoeten. Mensen met wie ik al lang samen leef, soms wel 47 jaar!

Onze vorm van gemeenschapsleven ‘samen met’ mensen die aan de rand van de maatschappij zijn beland, lijkt nieuwe vormen van gemeenschap te doen ontstaan. In Frankrijk zijn er kleine gemeenschappen aan het ontstaan met mensen die op straat leven, mensen die andere vormen van beperkingen hebben of die aan een psychische ziekte lijden. Isolement is een factor van angst: samenzijn is een bron van vreugde en veiligheid, ondanks de moeilijkheden in relaties die dat samenleven impliceert. Een man die op straat leefde, zei me eens: “De sociale diensten willen me een appartement geven, maar het is verschrikkelijk om alleen te leven.” Dat impliceert dan natuurlijk dat er animatoren zijn in die nieuwe gemeenschappen, die helpen om het samenleven vorm te geven, die momenten van feestvieren leiden en de mensen samenbrengen rond een maaltijd, of om onvermijdelijke – conflicten bij te leggen.

Het nieuwe in die verschillende vormen van gemeenschap is dat ze een bron van genezing zijn voor de mensen uit de marge die onthaald worden, en ook voor zij die met hen samenleven. Het zijn niet alleen de mensen die het goed stellen die goed doen voor anderen, maar die mensen die het goed hebben worden ook genezen door dat eenvoudige en liefdevolle leven waarin relaties tussen mensen centraal staan. Ze groeien in de kunst van het liefhebben en van het werken aan rechtvaardigheid en vrede.

De profeet Jesaja had het al aangekondigd (58, 7-8): “Is het niet: je brood delen met de hongerige, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt rondloopt, je bekommeren om je medemensen? Dan breekt je licht door als de dageraad, je zult voorspoedig herstellen. Je gerechtigheid gaat voor je uit, de majesteit van de Heer vormt je achterhoede.”

De aanwezigheid van diegenen die zich eenzaam en uitgesloten voelen en die om vriendschap roepen, vormt ons om. Ze roepen liefde en het licht in ons op. Natuurlijk is dit leven veeleisend en vaak verstorend maar, goede God, het is de moeite waard! Jezus, die in de armen, kwetsbaren, zwakkeren verborgen is,  is echt aanwezig (Mt 25) zelfs al herkennen we Hem niet als dusdanig: alles wat we voor de kleinsten onder ons doen, doen we voor Jezus. Het gemeenschapsleven wordt dan bron van leven en eenheid tussen heel verschillende mensen die hun spiritueel en menselijk op-weg-zijn op heel verschillende vlakken beleven.

Ja, het gemeenschapsleven is veeleisend, er is minder tijd om te bidden en om ons innerlijk leven te verdiepen. We hebben nood aan momenten van ontspanning en herbronning maar die zijn soms moeilijk te vinden. We kunnen heel snel opgeslorpt worden door wat ‘werk’ lijkt te zijn in plaats van ‘broederlijke gemeenschap’. Etty Hillesum, waar ik al vaak over verteld heb in mijn brieven, heeft een harmonie proberen te vinden tussen God en de liefde, mededogen met anderen, vooral in het kamp Westerbork waar ze geprobeerd heeft een licht en een steun te zijn voor honderden joden die samengepakt zaten in een wereld vol lijden. Ze schrijft: “Binnen in me zit een heel diepe put. En daarin zit God. Soms kan ik erbij. Maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven. Dan moet hij weer opgegraven worden.” Ze spreekt over het liggen in Gods armen en het luisteren naar ‘de innerlijke stem’ die haar oproept om tot stilstand te komen en in Gods aanwezigheid te vertoeven. Is die kleine stem niet dezelfde als degene die in het boek Apocalyps aangekondigd werd, waar God zegt: “Ik sta voor de deur en ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.” (Openb 3,20) Samen eten met de Heer betekent zijn vriend worden, goed en vol mededogen zoals hij.

Dat innerlijk leven, die verbondenheid met God en de verbondenheid met zwakke mensen in harmonie met elkaar brengen: zich laten vormen door die mensen, niet te snel opgaan in activiteiten, dat is een uitdaging, onze uitdaging. Ontdekken dat er slechts één liefde is. Is dat niet wat de geliefde leerling, Johannes, in zijn brief zegt: “Want iemand kan onmogelijk God, die hij nooit gezien heeft, liefhebben als hij zijn broeder, die hij wel ziet, niet leefheeft. We hebben dan ook dit gebod van hem gekregen: wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben.” (1 Joh. 4,20)

In mijn vorige brief had ik het al even over de publicatie van de geschiedenis van Geloof en Licht die op komst is (eind oktober), geschreven door Marie-Hélène Mathieu. Ik moedig jullie aan om die geschiedenis te lezen, het is erg boeiend. Het is het verhaal van de ontdekking, door de pelgrimage van Geloof en Licht in 1971, dat de relatie met een zwakkere persoon bron van leven is. De zwakke persoon maakt deel uit van het lichaam van de mensheid en van het lichaam dat de Kerk is. Die relatie heeft iets vitaals te geven aan dat lichaam. Ze is als een levende oproep om ons te engageren op de weg van liefde en het onthaal van wie anders is.

Ik beëindig deze brief door te zeggen hoeveel ik aan ieder van jullie in de Ark en in Geloof en Licht denk, en aan zoveel vrienden over de hele wereld. Van harte dank voor jullie brieven en voor de verbondenheid tussen ons. Die verbondenheid is als een groot netwerk van gebed. Er zijn zoveel mensen in onze wereld die lijden; er zijn de hevige en pijnlijke conflicten in het Midden-Oosten, er zijn mensen die honger lijden – verschrikkelijke honger – in Centraal-Afrika en elders.

Ik ben gelukkig dat ik besta, ik dank God voor de jaren die ik mag leven en tegelijk wil ik verbonden zijn met al degenen die lijden. Etty Hillesum beëindigt één van haar brieven met de woorden: “Men zou een pleister op vele wonden willen zijn.”

Van harte,
Jean

27/09/2011

De pdf-versie van dit document downloaden De pdf-versie van dit document downloaden